Botanische kenmerken

De hoogte van bamboes kan sterk variëren van soort tot soort, gaande van lage bodembedekkende soorten die nauwelijks 20-50 cm hoog worden, tot reuzenbamboes van 30 m en hoger.  De hoogte van een plant wordt uiteraard in de eerste plaats bepaald door de hoogte van de individuele halmen, maar in de tweede plaats door de groeivorm van de planten.  Want halmen van een aantal tropische bamboes die als lianen kruipen over andere vegetatievormen (bomen) kunnen tot 120 m lang zijn!

Bamboescheuten groeien uit in een enkele grote groeiperiode door een nauwgezet proces van vooral celstrekking en in mindere mate ook celdeling.   Bamboes kennen niet zoals bomen een secundaire diktegroei, maar de halm heeft reeds de uiteindelijke dikte wanneer hij bovengronds verschijnt.

Internodiën

Voor een goede toepassing van bamboe in de tuin en voor determinatie van bamboes zijn een aantal basisbegrippen over de bouw van bamboe onontbeerlijk. 

Bamboehalmen, -zijtakken en rizomen zijn allemaal assen opgebouwd uit dezelfde basisbouwstenen.  Deze bouwstenen bestaan uit een nodale zone (knoop), en een internodale zone tussen opeenvolgende knopen (internodium/tussenknoopstuk).  Op de nodale zone zijn knoppen, beschermende bladorganen en eventueel wortels ingeplant.

De internodia zijn hol (uitzondering is de Z-Amerikaanse Chusquea) en de knopen hebben een tussenplaat of diafragma. De halmwand is dik of dun, afhankelijk van de soort.  De lengte van internodia variëert ook zeer sterk, zelfs binnen 1 plant.  Bij Phyllostachys aurea bijvoorbeeld vinden we onderaan korte gedrongen internodia, terwijl de internodia hoger meer dan 20 cm lang zijn. 

De knoop  is een min of meer afgelijnde zone waarop de bladstructuur is ingeplant die de jonge halm bij uitgroei en tegelijk de okselknop beschermt.   De ring waardoor de bladstruktuur met de nodale zone is verbonden noemt men de nodale ring (of knopenring);  Het bovenste deel van de nodale zone wordt vaak opvallend begrensd door een vooruitstekend gedeelte, supranodale ring of supranodale kam genoemd.

Op de knopen zijn ook zijknoppen ingeplant, die kunnen uitgroeien tot zijtakken.  Bij bamboes zijn de knoppen meestal enkelvoudig, maar ze vertakken reeds zeer vroeg in de ontwikkeling.  Hierdoor ontstaan zijtakbundels met een bepaald aantal zijtakken.  Phyllostachys bijvoorbeeld heeft zijtakbundels met 2 zijtakken, soms met een derde kleinere zijtak.  Fargesia heeft zijtakbundels met vele zijtakken. Sasa heeft een zijtakbundel met slechts 1 zijtak, die praktisch even dik is als de halm en enkel op de bovenste delen van de plant.  Deze zijtakken zijn op hun beurt ook weer gesegmenteerde assen die zijn opgebouwd uit dezelfde basisbouwstenen.

Rizomen

De groei van bamboe gebeurt vooral onder de grond onttrokken aan het oog.  Ondergronds vinden we de rizomen van de bamboes, ondergrondse wortelstokken, die zorgen voor de uitbreiding van de plant, voor transport van voedsel en water doorheen de gehele plant, voor opslag van voedsel, voor de verankering van de plant in de bodem.  En bovendien: vanop het rizoom  lopen knoppen uit die nieuwe bovengrondse halmen geven.  De bovengrondse halmen en de bladeren zorgen voor voedsel door fotosynthese, het ondergrondse deel bestuurt de verdeling ervan, en zorgt dat alles zo optimaal mogelijk verloopt.  Rizomen kunnen worden onderverdeeld in 2 types, een pachymorf rizoom en een leptomorf rizoom.

➔ Een pachymorf rizoom is dikker dan de halm, en zijknoppen van het rizoom vormen een nieuw rizoom waarvan de apikale knop uitgroeit tot een nieuwe halm.  Het rizoom en de halm zijn aan de rest van de plant verbonden door een rizoomnek, die geen knoppen en zeer zelden wortels heeft en die lang of kort kan zijn.

➔ Een leptomorf rizoom is dunner dan de halm, groeit ondergronds als een gewijzigde stengel, en zijknoppen van het rizoom groeien uit tot nieuwe halmen.  De knopen van een leptomorf rizoom dragen elk een zijknop en wortels of wortelinitia.  De halm is met het rizoom en de rest van de plant verbonden door een halmnek.

Voor een ingewikkelde begrip als rizoom is de overgang tussen een zuivere vertakking en een rizoom niet altijd duidelijk.  Er zijn ook overgangsvormen, niet enkel bij zaailingen of bij regeneratie na bloei, maar ook bij stresssituaties.  De bovengrondse groei van halmen, en hoe ze verspreid zijn, kan niet worden afgeleid uit het rizoomtype alleen.  Halmen kunnen verspreid groeien, in één enkele zode (éénzodig) of in meerdere verspreide zoden (meerzodig).

Veel hangt af van de groeiomstandigheden waarin bamboes groeien.  In bepaalde omstandigheden zullen Phyllostachys planten meer éénzodig groeien, maar zodra ze de kans zien te ontsnappen, lopen hun rizomen weg en duiken nieuwe halmen soms verschillende meters verder op.  Het is daarom ook van het allergrootste belang om van bij de aanplant rekening te houden met de groeikracht van de bamboes. 

De bladeren bij bamboes

Elke basisbouwsteen wordt beschermd door een blad dat is ingeplant rondom de knoop, op de nodale ring.    Opmerkelijk is dat deze bladstructuur bij bamboes velerlei vormen kan aannemen. De bladstructuur bestaat uit de eigenlijke bladschede, die het segment omvat, en meerdere aanhangsels, die meer of minder ontwikkeld zijn, afhankelijk van hun plaats op de plant.  Ingeplant op de schede komen  een bladschijf  voor, met oortjes die al of niet gewimperd zijn, en een tongetje.   Het belangrijkste aanhangsel van de schede is de bladschijf die met de eigenlijke schede rechtstreeks is verbonden of door een bladsteel.  De bladschijf kan in min of meerdere mate gereduceerd zijn. Op rizoomscheden is de schijf bijna volledig gereduceerd.  

Bovengronds, tot bijna boven in de halm, is  de bladschijf eerder klein.  Er is geen bladsteel, en de bladschijf is rechtstreeks ingeplant op de schede; dit zijn de halmbladeren, en hun functie is om de jonge halm tijdens de uitgroei te beschermen.  Na de groei verliezen de halmbladeren hun functie en verdrogen.  Ze kunnen afvallen of aan de halm gehecht blijven.   Op het uiteinde van de hoofdas en de zijassen echter zien we loofbladeren, waarvan de bladschijf sterk is uitgegroeid en met de schede is verbonden door een bladsteel.  Hun functie is voorzien in energiebehoefte van de plant door bladgroenverrichting.  Vandaar dat deze bladeren gedurende lange tijd functioneel blijven, tot meerdere jaren.  De bamboe ‘ververst’ wel regelmatig zijn bladerdek, vooral na strenge winters.  Het gewicht van dit bladerdek kan ervoor zorgen dat de halmen doorbuigen.

Afhankelijk van de soort die je kiest, heb je bamboes met fijne lange blaadjes van 7 cm, tot gigantische bladeren van 50 cm lang en 8 cm breed.  Bovendien bestaan vele bamboevormen met een bont blad, zowel witbonte als geelbonte bladeren.

Vooral halmbladeren zijn van groot belang voor de determinatie van soorten.  Een goede diagnose van de soort is daarom vaak enkel mogelijk in het groeiseizoen bij de uitgroei van nieuwe scheuten.  De oortjes en wimpers, de kleur van de schede, het al of niet behaard zijn, de stand van het schedebladschijf (opgericht, horizontaal, afhangend)  en de vorm ervan (lang, kort, vlak, verdraaid..) zijn belangrijke gegevens.

Groeivorm, halm, rizoom en bladeren samen zijn belangrijke gegevens voor de juiste determinatie van de soort.  Omdat bloei bij bamboe eerder uitzondering dan regel is, is het noodzakelijk om vegetatieve of groeikenmerken ter beschikking te hebben om bamboes ter plaatse te kunnen determineren.  En dit is zeker geen eenvoudige zaak. 

                    Copyright © 2000 - 2012. Oprins Plant NV. All rights reserved.